Deze week
Bid u deze week mee voor:

Tweede Valthermond
Inwoners: ± 50
Laatste notitie

Het is een feit, op de locatie van, en in samenwerking met het 24-uursgebed en regiogebed mogen we ...

Tekst van de dag
fotostrip met beelden uit de geschiedenis van de Veenkoloniën


   Real Time Web Analytics

  

GeschiedenisKort overzicht van de geschiedenis van de Veenkoloniën

kaart van Drenthe uit 1658 met het Bourtangermoeras
Het Bourtangermoeras (1658)
(Klik voor een vergroting.)




het meisje van Yde: het veenlijk en de reconstructie van het gezicht
Meisje van Yde: het veenlijk en de reconstructie van het gezicht.

kaart van Drenthe uit 1696 met het Bourtangermoeras
Kaart van de Veenkoloniën (1696)
(Klik voor een vergroting.)




Nooit wordt de stilte verbroken door het geratel van rijtuigen. Om de eenvoudige reden dat er bij ons slechts voetpaden zijn. Voetpaden van slechts 1 meter breed. Het land is doorsneden van kanalen, zodat er allemaal eilandjes zijn ontstaan. Die worden door brugjes met elkaar verbonden. Vaak is het gewoon een plank, met soms een leuning eraan. Verderop in het veen heeft men slechts twee dennenboompjes naast elkaar over het water gelegd. Uren ver in het rond niets dan veen en op het afgegraven gedeelte dennenbossen.

Aantekening evangelist Spoel, 1916.

De officiële geschiedenis van de Veenkoloniën begint in de 15de eeuw. Tot die tijd was het gebied, het Bourtangermoeras, vrijwel onbewoond. Ook voor die echter tijd trokken mensen het moeras in. Dit blijkt uit de vondst van een bijna 3 meter lange kano te Pesse. De kano van ver voor onze jaartelling wordt beschouwd als de oudste boot ter wereld. In het veen ten oosten van Emmen, bij Barger-Oosterveld, is een stenenkrans met houtresten gevonden. Uit reconstructie blijkt het om een tempeltje te gaan. Aangenomen wordt dat er bij deze tempel, gebouwd in ongeveer 1500 vóór Christus, rituelen werden uitgevoerd. Bij Klazienaveen, Valthe en Ter Apel zijn resten van een veenweg gevonden. Een veenweg bestond uit dwars op de wegrichting liggende boomstammen, planken of vlechtwerk. Mogelijk vormden de veenwegen een verbinding tussen de Hondsrug en Westerwolde. Van enkele veenwegen in het Bourtangermoeras wordt ook vermoed dat deze een rituele functie hadden.

Het meest bekend uit de prehistorie zijn wel de door turfstekers gevonden veenlijken: het meisje van Yde en het paar van Weerdinge. Deze 3 lijken dateren uit ongeveer dezelfde periode, tussen 54 vóór en 128 ná Christus.[1] Zij zijn met geweld om het leven gebracht: wurging en messteken.[2] Dit kan een straf zijn geweest, maar ook het brengen van een offer. De Romeinse historicus Tacitus meende dat veroordeelde misdadigers in de moerassen gegooid werden omdat hun lichamen er nooit verteerden en hun zielen er nooit meer uit zouden kunnen komen. In Friesland, Groningen en Drenthe zijn 46 veenlijken gevonden. In Drenthe behalve in Yde en Weerdinge ondermeer ook in Eerste Exloërmond en in Zweeloo. De oudst bekende, uit het Emmer-Erfscheidenveen, dateert uit ongeveer 1300 vóór Christus.

Na de veenlijkenHet ontstaan van de Veenkoloniën

Kropswolde wordt begin 15de eeuw genoemd als eerste veenkolonie van de stad Groningen. Als Crepeswolde komt het dorpje echter al voor in archieven uit 1249. Het vrouwenklooster van Essen, gelegen vlakbij het dorp Haren, bezat te Crepeswolde enkele kavels grond die uit het moeras waren ontgonnen.[3] Met de inwoners van Crepeswolde ontstond een meningsverschil over 3 van deze kavels.

De behoefte aan brandstof voor Groningen en voor de Hollandse steden nam na de 15de eeuw explosief toe, waardoor het veenkoloniaal gebied al snel werd uitgebreid. Turf gebruikte men voor het bakken van bouwstenen, voor verwarming en voor het brouwen van bier. De turfwinning trok mensen van allerlei komaf vanuit heel Nederland, maar ook vluchtelingen (met name ook mensen die op de vlucht waren vanwege hun geloof) en avonturiers vanuit Duitsland en Zwitserland. Turfgravers woonden veelal onder primitieve omstandigheden in plaggenhutten, dicht bij de werkplek. Zij leefden eenvoudig en hun voedsel was weinig gevarieerd. De mensen aten pannenkoeken van boekweit, aardappelen en veel bonen. Koffie zetten ze met water uit de veenkuilen of de wijken. De bewoners van stenen huizen hadden drinkwater uit de regenton, of uit de put. Tot in de eerste helft van de 20ste eeuw trof men nog bewoonde plaggenhutten aan. In Alteveer werden plaggenhutten bewoond tot in de Tweede Wereldoorlog.

Groningen liet het vervenen over aan particuliere ondernemingen of compagnieën. Dit trok niet alleen ondernemers aan uit Groningen en Friesland, maar ook uit het westen van Nederland. Het vervoer van de turf moest echter gebeuren via de stad Groningen. Daardoor konden tol- en sluisgelden worden gevraagd. Voor het vervoer werd in 1612 begonnen met het graven van het Winschoterdiep. Zijkanalen en veenstroompjes (zoals de diverse A's) leidden verder het veengebied in.

De grootscheepse ontginning van het Drentse gebied van de Veenkoloniën kwam later op gang. Pas na de aanleg van het Stadskanaal kon deze streek worden bewerkt. Vanaf het Stadskanaal werden "monden" gegraven voor het vervoer van de turf. Het ontginnen van de Zuidenveldse Venen in het zuidelijke veenkoloniale gebied kwam pas in de tweede helft van de 19de eeuw op gang. De turf werd hier vervoerd via de Verlengde Hoogeveense Vaart, het Oranjekanaal en het Scholtenskanaal. Doordat later de behoefte aan turf als brandstof verminderde, bleven belangrijke veencomplexen zoals het Amsterdamseveld in Zuidoost Drenthe bewaard.

Om ook na de afgraving van het turf verzekerd te zijn van inkomsten, bepaalde Groningen al in het begin van de 17de eeuw dat de bovenste veenlaag moest worden vermengd met zandgrond. Met behulp van stadsvuil als bemesting kon er zodoende landbouw worden ontwikkeld. Voor het Drentse gebied was er echter niet voldoende stadscompost. Boerenbedrijven daar waren daarom verplicht vee te houden om hun akkers te kunnen bemesten. De landbouwbedrijven in de Zuidenveldse Venen profiteerden van de uitvinding van kunstmest. Daardoor kon men zich hier vanaf het begin geheel op de akkerbouw richten.

Verdere ontwikkelingIndustriële ontwikkeling in vogelvlucht

Langs de Groninger kanalen die werden gebruikt voor vervoer van turf begon men in de 17de eeuw al met scheepsbouw en scheepsreparatie. Later, in de eerste helft van de 19de eeuw, werden er zelfs logge, maar stabiele en zeewaardige schepen gebouwd voor turftransport tot aan Sint Petersburg. Na de komst van grotere, ijzeren stoomschepen ging het met de scheepsindustrie bergafwaarts. De ontwikkeling van kustvaarders na de Eerste Wereldoorlog deed de industrie echter weer opbloeien. De coasters vaarden over zee en bereikten binnenhavens, waardoor extra overslag overbodig werd.

Door de scheepvaart en het gebruik van landbouwwerktuigen ontstond in de Veenkoloniën al vroeg een omvangrijke metaalindustrie. In 1841 opende in Foxhol de eerste aardappelmeelfabriek. Velen zouden er nog volgen. De monopoliepositie van de aardappelmeelfabrikanten werd doorbroken doordat boeren op coöperatieve basis zelf hun aardappelen gingen verwerken tot meel. Vanaf 1870 ontstond de strokartonfabricage. De strokartonfabrieken vestigden zich vanwege de behoefte aan schoon water aan de rand van het veenkoloniale gebied. Vooreerst werd het benodigde stro betrokken uit de Groninger regio Oldambt, door het gebruik van kunstmest leverden de Veenkoloniën later ook stro.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de landbouw op grote schaal gemechaniseerd. Hierdoor werden arbeiders afgestoten. De aardappelteelt werd bedreigd door ziekten zoals aardappelmoeheid. De stroproductie verminderde door de teelt van nieuwe korthalmige grassen. Kanalen en sluizen werden te klein voor de steeds groter wordende schepen. Kortom: na de werkloosheidsgolf aan het begin van de 20ste eeuw opnieuw een crisissituatie met weinig werkgelegenheid. Deze situatie werd ten dele opgelost door de vestiging van dochterbedrijven van grote Nederlandse ondernemingen. Vooral in Emmen ontstonden hierdoor nieuwe industriegebieden.

Sociale verhoudingenRangen en standen in de Veenkoloniën

Daar ziet men dat er omtrent 1650 in Veendam personen uit Amsterdam, Leiden, Beverwijk, Edam, 's Gravenhage, Elburg, Meppel, Oudewater, Staphorst, Steenwijk, Bunde, Jenigum, Ulsen en vele plaatsen in de provincie Groningen, wonen. Aldus vormen Duitsers, Zwitsers, bewoners van de Paltz, die voor hun religie het vaderland hadden verlaten, Hollanders, Friezen, Drenten, Groningers, enz. de grondslag dezer bevolking.

Lezing J. Somer, 1968

Ze gaan hier des avonds om 11 a 12 uur naar het veld, en gaan dan op het natte veld liggen tot ze zien kunnen om te werken, en dit moet de menschen wel knoeien.

Uit de Arbeidsenquête, 1890[5]

Ook den rekeningen van den smid, den schoenmaker en den kleermaker worden door de veenbaas betaald, die daardoor meestal een ondragelijke controle op het arbeidersgezin uitoefent.

Sociaal Weekblad, 1892

Het meeste viel mij op, dat er bij de mensen die arm waren, daar was de steriliteit niet zo geweldig. Maar de mensen kregen geen koorts of borstontsteking of weet ik wat. En bij de rijkeren, die alles schoon en netjes en steriel hadden, was er om de haverklap een borstontsteking of baarmoederontsteking en van alles, omdat ze het zo schoon hadden.

Jeanne Pragt, vanaf 1952 vroedvrouw in Klazienaveen en wijde omgeving

In de Veenkoloniën bestonden grote sociale verschillen. Aan de top van de ladder stonden de veenbazen. Zij kochten grote stukken moeras op en lieten deze ontginnen door arbeiders. De veenarbeiders voelden zich vaak slecht behandeld, waardoor er relletjes en stakingen uitbraken.

De tweede sociale laag bestond uit boeren. Na de ontginning van het veen vestigden zij hun bedrijfjes. Veel veenarbeiders werden na de vervening landarbeider.

De derde sociale laag bestond uit turfschippers en hun families. Aanvankelijk vervoerden zij over de langgerekte kaarsrechte kanalen turf, later ook aardappelen en andere agrarische producten.

De onderste sociale laag bestond uit veen- en landarbeiders, scheepsknechten en scheepsjagers. Om in het dagelijks onderhoud te kunnen voorzien was het noodzakelijk dat ook vrouwen en kinderen meewerkten in het veen. Voor de vervener drukte de inzet van vrouwen en kinderen de loonkosten. Vrouwen verdienden slechts 60% van wat de mannen verdienden. Jongens en meisjes waren nog goedkoper. De veenbazen namen daarom bij voorkeur arbeiders met grote gezinnen in dienst. Pas in 1940 werd een verbod op veldarbeid voor kinderen voorgesteld. Bij wet werd dit vastgelegd in 1955. Veel vrouwen werden door het zware werk kreupel en kregen op gevorderde leeftijd vaak verkrommingen. Hierdoor nam de levensverwachting af. Vanaf 1923 konden de veenarbeiders aanspraak maken op de ongevallenwet van 1901. Ook de Arbeidswet van 1889 of de Veiligheidswet van 1895 was niet op de veenarbeiders van toepassing. Wat de Veenkoloniën betreft was de regering laks en werd het gebied lange tijd aan haar lot overgelaten.

De gravers van de kanalen kenden een eigen hiërarchie. De vele kilometers kanaal werden met de hand gegraven. De man die onderin stond op de bodem van het kanaal stond het laagste in aanzien en verdiende het minst. De middelste man kreeg iets meer. De man die boven aan de wal stond had het meeste aanzien en verdiende dus ook het meest.[4]

De veenarbeiders leefden in rauwe mannengemeenschappen. 's Zomers werkten zij van zonsopgang tot zonsondergang. 's Winters lag het veenwerk stil en werden er schulden gemaakt. De veenarbeiders moesten woekerrente betalen over hun schulden. Zij werden uitgebuit door betaling in natura. Deze goederen moesten zij tegen lagere prijzen weer verkopen om aan geld te komen. De veenbazen runden winkels met verplichte winkelnering: arbeiders werden gedwongen in deze winkels van de onderneming hun inkopen te doen en woekerprijzen te betalen. Slechts enkele veenarbeiders konden ontsnappen uit dit stelsel door zich als keuterboer te vestigen. De meesten echter trokken mee als er weer nieuwe gebieden in exploitatie werden genomen. De verplichte winkelnering werd in 1906 bij wet afgeschafd, maar zou op sommige plekken nog voortduren tot in de Tweede Wereldoorlog.

ConclusiesVoorbereiding op de gebedsonderwerpen

Uit het overzicht van de geschiedenis van de Veenkoloniën kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

Aantekeningen:

  1. Einde IJzertijd, begin Romeinse tijd.
  2. Van de ruim 2000 veenlijken die zijn gevonden in Ierland, Groot Brittannië, Nederland, Duitsland en Denemarken vertoont het overgrote deel sporen van een gewelddadig levenseinde.
  3. In 1215 werd in Essen nabij Haren een vrouwenklooster gesticht dat behoorde tot de orde van de Cisterciënzers. Dit klooster Yesse (later ook wel klooster Essen genoemd) heeft bestaan tot 1594. Bij de reformatie kwam het in handen van de provincie Groningen die het klooster sloot. Het klooster was bekend vanwege een wonderdadig Mariabeeld. Tegenwoordig is er geen enkel spoor terug te vinden van het complex.
  4. Uit de wereld van het kanalen graven komt de term 'hogerop komen'.
  5. Vier enquêteurs ondervroegen een maand lang artsen, onderwijzers, burgemeesters, verveners en veenarbeiders over de leef- en werkomstandigheden in de veenderijen. Bron: Master Thesis van Sarah Siewert: Een onderzoek naar het ontstaan van de representatie van veenarbeiders in Drenthe aan het einde van de negentiende eeuw.