Deze week
Bid u deze week mee voor:

Dalerveen
Inwoners: ± 370
Laatste notitie

Het is een feit, op de locatie van, en in samenwerking met het 24-uursgebed en regiogebed mogen we ...

Tekst van de dag
fotostrip met beelden uit de geschiedenis van de Veenkoloniën


   Real Time Web Analytics

  

KerkgeschiedenisGeestelijke ontwikkeling in de Veenkoloniën

Werden het meisje van Yde en de andere veenlijken vermoord als straf voor overtredingen? Of werden zij op rituele wijze geofferd aan de goden? Werd het Bourtangermoeras gezien als een doorgang naar een andere wereld? Een afdoende antwoord hierop zal wel nooit gevonden worden.

Moerassen golden in prehistorische tijden niet alleen als gevaarlijke plekken, maar vanwege de mysterieuze stilte, plotseling opkomende mist, roerloze wateren, bleke lichtval en altijd aanwezige dreiging als een doorgang naar een andere wereld, de wereld van de goden en de dood.

W. Braakman in 'Westerheem', 2002

In 'Westerheem', het orgaan van de Archaeologische Werkgemeenschap voor Westelijk Nederland, maakt de heer W. Braakman uit Groningen aan de hand van de weinige beschrijvingen in oude teksten aanvaardbaar dat er inderdaad rituele offers plaatsvonden. Hij put daarbij o.a. uit de Edda, uit werken van Tacitus en uit een ooggetuigenverslag van een Arabische diplomaat uit het jaar 921. De rituelen zouden negen dagen duren. Na deze dagen, met daarin ook geslachtsgemeenschap met de mannelijke familieleden van de hoofdman, wordt het "offer" uiteindelijk door verwurging en messteken ritueel vermoord door een oude vrouw die de Engel des Doods wordt genoemd. Het meisje van Yde, besluit Braakman, was getekend doordat ze mank liep.[1] Haar hoofdhaar werd aan één kant weggeknipt om aan te wijzen dat zij degene was die geofferd ging worden aan Wodan of Odin. Zij stierf een gewelddadige dood: gewurgd door een driemaal om de nek geknoopte sprangband, met een mes in de keel gestoken en vervolgens verzonken in het moeras.

Geofferd of niet, de tientallen veenlijken uit het Bourtangermoeras duiden in ieder geval op gewelddadigheden. Het was buiten het moeras een leven in geestelijke duisternis. Afgoden als Wodan eisten respect en gehoorzaamheid. Priesters of druïden gingen het volk voor in afgodendienst. Het Germaanse heidendom werd sterk bepaald door natuurverering met heilige bomen, stenen en water als levensbron. Maar tijdens dit leven in duisternis klonk ver weg, in Jeruzalem, het bevel: "Ga heen, maak alle volken tot Mijn discipelen."

LiudgerLicht in de duisternis rondom het Bourtangermoeras

Willibrord, apostel der Friezen, en Bonifatius, apostel van de Duitsers, brachten in de 8ste eeuw als eersten het evangelie van Jezus Christus naar de Noordnederlandse streken. Daarmee kwam het gebied onder het gezag van de Heilige Stoel te Rome. Erg succesvol waren deze Engelse apostelen echter niet. Het was de Nederlander Liudger die Drenthe en Groningen uiteindelijk tot het christelijk geloof zou brengen. Daarom kreeg hij later de bijnamen "Liudger de Voltooier" en "apostel der Groningers". Liudger begon zijn pelgrimstocht of rondreis door het Friese en Saksische gebied in 775. Hij stichtte een monasterium of priesteraccommodatie in Mimigerneford. Daar ontstond de stad die later naar het monasterium de naam Münster krijgt. In 804 werd Liudger tot bisschop van Münster gewijd. Meer dan 7 eeuwen zou het Noordnederlandse gebied tot het Duitse bisdom behoren.

Het verhaal gaat dat Liudger de bard Bernlef van zijn blindheid heeft genezen. Tijdens één van zijn reizen door het Groninger land ontmoette Liudger de dichter in Helwerd. Hij probeerde Bernlef tot het christendom te bekeren. Bernlef zou daarop tegen Liudger hebben gezegd: "Als uw God zo machtig is, toon mij dan een teken." Liudger legde daarop zijn handen op de ogen van de bard en sprak een gebed uit, waarna de blinde man weer kon zien. Het verhaal van deze genezing zou als een lopend vuurtje zijn rondgegaan door de streek.

Katholicisme en de ReformatieDe kerkhervorming in de 16de eeuw

De kerkhervorming[2] aan het begin van de 16de eeuw was bedoeld als een beweging binnen de Katholieke kerk. Men wilde terug naar een bijbelgetrouwe Kerk. Maar Rome voelde zich aangevallen en de hervorming probeerde men de kop in te drukken. Tevergeefs. Als een olievlek spreidde de Reformatie zich uit. Ook Groningen en Drenthe ontkwamen hier niet aan. Niet dat de bevolking van deze regio's zat te wachten op vernieuwingen. Integendeel. Dat Groningen (in 1594) en Drenthe (in 1598) dan ook calvinistische provincies werden gebeurde onder druk van stadhouder Willem Lodewijk. Bisschoppen mochten niet langer hun functie uitoefenen. Priesters werden voor de keus gesteld zich tot het nieuwe geloof te bekeren en daarvoor een examen af te leggen. Deden zij dit niet, dan konden zij hun ambt neerleggen en de kerk verlaten. Pastoors en katholieke schoolmeesters mochten hun kerkelijke dienst niet meer uitvoeren. Zij werden gedwongen hun goederen over te dragen aan de protestantse kerkvoogden. Alle bezittingen van de katholieke kerk, inclusief grond en gebouwen (waaronder kerken, kloosters en boerderijen), vielen toe aan de gewestelijke overheid. Actief verzet was er niet tegen deze hervormingen. Wel werd nog hier en daar de "paapse mis" gevierd.

Het wapen van Drenthe
Het wapen van Drenthe

Belangrijk aandeel in de hervorming had Menso Alting. Hij wordt wel de "Hervormer van Drenthe" genoemd. Hij had gestudeerd voor priester en werd pastoor te Sleen. Later koos hij voor het Calvinisme en studeerde voor dominee. Hij wees bekwame predikanten aan om in Drenthe te worden beroepen. Hij examineerde en bevestigde hen en riep een classicale vergadering in het leven. Toch wordt wel beweerd dat er nooit echt sprake is geweest van kerkhervorming in Groningen en Drenthe. Het aantal leden van de nieuwe kerk bleef erg laag. Het afleggen van de belijdenis, als bewijs van aanhang van het nieuwe geloof, vond de eerste tientallen jaren nauwelijks plaats. Het wapen van Drenthe toont de katholieke oorsprong van de provincie: Maria met het kind Jezus in een gouden Gothische kerk.

Tegen het einde van de 18de eeuw werd het standpunt tegenover de Katholieken milder. Ondanks fel verzet van protestantse zijde werd in 1853 de katholieke kerkelijke en bisschoppelijke hiërarchie hersteld.

Ontwikkeling in de VeenkoloniënEen vluchtige blik van de situatie in de Veenkoloniën van Groningen en Drenthe

De kolonisten brachten uit de streek van herkomst hun eigen woonzeden en gewoonten en ook hun godsdienstige opvattingen mede. Door één element werden zij echter wel verbonden. Zij wensten allen hun geluk hier te beproeven.

Lezing J. Somer, 1968

De enige afleiding in dit tranendal vormde het geloof òf de jenerverfles - en vaak gingen die twee hand in hand. Met de paplepel namen ze beide tot zich, de drank en de religie. Waar sommigen menen dat er slechts één weg leidt naar de hemel (de smalle), lopen er in het Drentse veen kennelijk vele. Het barst er nog steeds van de kerkjes en geloven, van afgescheiden groepjes en sektariërs, van apostolischen en nieuw-apostolischen, jehova's en baptisten, pinksterachtigen en andere wederdopers.

Dagblad Trouw, 7 oktober 1995

Menno Simons
Menno Simons (1496-1561)

Ick waerschouw u lieden, alsmen dese vervloecte Herdopers doot of justiciert dat ghy daer gheen compassie mede hebt, wat tormenten dat men hun oockaendoet, want het is de booste en snoodste generatie, die oyt op der aerden quam, ja, sy zyn arger dan de duvelen samen!

Uitspraak van een pater in Brugge

In Groningen nam de overheid al in mei 1534 maatregelen tegen 'uuthemschen lueden die mit enigherhande nye secte off wederdoepe besmyt synt'. Zo werd een doperse boerin bij 't Zandt beboet omdat ze "sommyge hollandessche vrouwen ende kinderen geherbercht" had.

In notulen uit 1699 van de Hervormde Kerk te Meeden is te lezen dat verschillende leden van deze kerk niet aan het Avondmaal mochten deelnemen, omdat zij een Doopsgezinde bruiloft bezocht hadden.

Elias Feisser, grondlegger van het Baptisme in Nederland
Elias Feisser (1805-1865)

Er wonen vele goedaardige menschen, doch er is geen geestelijk leven.

Ds. Hendrik Karel Roessingh bij zijn vertrek uit Gasselternijveen, 1839

Leger des Heils Klazienaveen
Voedsel uitdelen in Klazienaveen door het Leger des Heils.

De evangelisten, en dit geldt ook voor de pastoors, predikanten, groene en witte kruis zusters, doktoren, onderwijzers enz. hebben onder de veenbevolking veel pionierswerk verricht en hebben zeer veel bijgedragen tot de geestelijke verheffing en de volksgezondheid. Daarbij moeten wij in aanmerking nemen, dat al dit werk voor zeer weinig geld is verricht, onder omstandigheden, waarvan wij thans geen voorstelling meer kunnen maken.

Lezing J. Somer, 1968

De veenarbeiders kwamen niet alleen met hun eigen gewoonten, maar ook met hun eigen godsdienst. Het was niet vreemd dat gelijkgezinden elkaar opzochten. Zo ontstonden er katholieke dorpen als Zandberg en Kopstukken. Het katholieke Nieuw-Schoonebekerveld (later Weiteveen) begon met een aantal plaggenhutten, bewoond door katholieke kolonisten uit het Duitse grensgebied. Lula, een streek in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, werd voornamelijk bevolkt door Doopsgezinden die als vluchteling uit Zwitserland kwamen.[3]

Het kon echter niet uitblijven: na het ontstaan van de de Veenkoloniën echoden de sociale mistoestanden in de dorpen en gehuchten na in de kerken. Veenbazen en herenboeren zaten op de beste plekken in de kerkgebouwen. Zondagsdiensten lieten duidelijk zien wie belangrijk was en wie niet. Vanzelfsprekend was ook de leiding van de gemeente in handen van de hogere sociale kringen. Dat de Geest gaven uitdeelt aan wie Hij wil was blijkbaar niet bekend. Het kon bijvoorbeeld op Goede Vrijdag gebeuren dat de boer naar de kerk ging, maar de knecht achterbleef. Hij moest werken. Achter op het land, zodat het niet teveel opviel.

Protestanten begonnen hun diensten met preken en bijbellezingen in particuliere huizen. Bij voldoende belangstelling en bij voldoende financiële middelen ging men over tot de bouw van evangelisatielokalen. Doopsgezinden kwamen bij elkaar in woonkamers of boerenschuren. Later bouwden zij hun "vermaningen" op achteraf gelegen plekken. Deze kregen de vorm van een boerenschuur of woonhuis. Andere stonden niet zichtbaar vanaf de weg achter bestaande bebouwing. Dit had alles te maken met de houding van de overheid en de "officiële" kerk.

DoopsgezindenBeknopt overzicht van de situatie van de Doopsgezinden

Bij de Kerkhervorming gingen de Doopsgezinden een stap verder dan Luther of Calvijn. Zij keurden, op grond van de Bijbel, ook de kinderdoop af en gingen over op de volwassendoop. Mensen die toetraden tot de "Dopersen" moesten zich laten dopen, ook als zij al als kind waren gedoopt. Dit viel noch bij Katholieken noch bij Protestanten in goede aarde. In 1525 ontstond de Doperse beweging in Zwitserland. Mede door de praktijk van het "overdopen" en allerlei excessen werden de Doopsgezinden al snel vervolgd.[4] Zij werden "Overdopers" of "Anabaptisten" genoemd. Naar de prediker en geestelijk leider Menno Simons, voormalig pastoor uit Witmarsum, kregen zij in Nederland al snel de naam "Mennonieten" of "Menisten". De geschriften van Menno Simons vormen tot op de dag van vandaag het uitgangspunt voor de doopsgezinde leer. Rond 1530 ontstonden de eerste gemeenten in Nederland. Veel Mennonieten vestigden zich in de Veenkoloniën.

Kerk en overheid in Nederland wezen de Doperse praktijken af. Ook hier werden zij vervolgd en werden er velen omgebracht door ophanging, verdrinking of door levend begraven te worden. Wie omging met Doopsgezinden kon rekenen op een boete. In de "Nederlandse Geloofsbelijdenis"[5] en vanaf de kansel werd krachtig afgerekend met de 'grouwelicke sekte' en de 'vervloecte Herdopers'.

Tegen het einde van de 16de eeuw ontstond er enige tolerantie ten opzichte van de Doopsgezinden. Zij mochten nu ook hun eigen vermaningen bouwen, mits achteraf gelegen en onopvallend. Het zal duren tot 1796 voordat er gelijkstelling komt met andere kerkgenootschappen.

Tot in de negentiende eeuw gingen de meeste Doopsgezinden nauwelijks om met anders-denkenden. Ze deden niet mee aan wereldse pracht en praal en vielen op door hun kleding. Zij mochten geen eed afleggen of in overheidsdienst treden en wapens dragen. Aan hun leefwijze stelden zij strenge eisen. Eerlijkheid en zelfbeheersing stonden daarbij voorop. Een Mennoniet hield zich aan zijn woord. Wie niet aan deze hoge eisen kon of wilde voldoen, werd uit de groep gestoten.

BaptistenHet ontstaan van de Baptisten Gemeenten in de Veenkoloniën

Johannes Elias Feisser, geboren te Winsum in 1805, verhuisde als 3-jarige kleuter naar Veendam. In 1823 ging hij theologie studeren in Groningen. Na een jaar studie te Leiden was hij vervolgens Nederlands Hervomd dominee in Lekkum, Winschoten en Franeker. In 1838 te Franeker overleden zijn vrouw en twee kinderen. Feisser kon de moed niet meer opbrengen te prediken. Hij kreeg eervol ontslag en keerde terug naar Veendam. In 1839 neemt hij het ambt weer op en wordt dominee te Gasselternijveen. Langzaamaan veranderden zijn godsdienstige inzichten. Zijn bezwaren tegen de gangbare theologie en tegen de organisatie van de Hervormde Kerk namen toe. In 1843 weigerde hij doop en avondmaal te bedienen. Feisser wees de kinderdoop af, wat leidde tot een kerkelijk proces. Eind 1843 werd hij uit zijn ambt gezet. Hij bleef wonen in Gasselternijveen. Aansluiting bij de Doopsgezinden zocht Feisser niet. Door Duitse Baptisten liet hij zich, met nog vijf broeders en een zuster, in 1845 dopen door onderdompeling in een veenvaart te Gasselternijveenschemond achter de boerderij van Roelof Reiling. Reiling behoorde tot de zeven die werden gedoopt.[6] Feisser werd te Gasselternijveen aangesteld tot herder en leraar van de eerste 'Gemeente van Gedoopte Christenen' in Nederland.

Te Gasselternijveen ging Feisser met goede moed aan het werk in zijn nieuwe gemeente. Maar tegenslag zou al snel volgen. Hij kreeg te kampen met tegenwerking. Van de groep die zich om hem heen verzameld had keerde meer dan de helft hem de rug toe. In de zomer van 1849 trok Feisser als rondreizend predikant enkele maanden te voet door Groningen en Oost-Friesland (Duitsland). Het werk werd hem echter te zwaar en hij verhuisde datzelfde jaar nog naar Nieuwe Pekela. Daar hoopte hij een vruchtbaarder arbeidsveld te vinden. Deze hoop was echter tevergeefs. Na nog een periode in Amsterdam gewerkt te hebben keerde Feisser terug naar Nieuwe Pekela. Hoe hij zijn laatste jaren daar doorbracht is niet duidelijk. Hij overleed in 1865. Op de overlijdensakte van deze predikant, kerkstichter en doctor in de theologie werd vermeld als beroep: landbouwer.

VrijmetselarijVrijmetselaars in de Veenkoloniën

Ook dominee Anthony Winkler Prins spande zich in voor de bevolking in het Veenkoloniaal gebied. Van 1850 tot 1882 diende hij te Veendam als voorganger van de Doopsgezinde Gemeente. In 13 jaar tijd schreef hij hier 16 delen van de eerste Nederlandse Geïllustreerde Encyclopedie. Vooral voor het onderwijs en het openbaar vervoer heeft Winkler Prins zich ingezet. Hij was in 1866 de drijvende kracht achter de realisering van een Rijks HBS (de tweede na Amsterdam!), een Latijnse school voor meisjes en een kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen. Van 1911 tot 1987 werd voor de HBS les gegeven in het huidige Veenkoloniaal Museum. In 1879 richtte Winkler Prins samen met andere notabelen de Eerste Groninger Tramway - Maatschappij op.

Winkler Prins was niet alleen voorganger, schrijver en dichter, hij was ook lid van de Vrijmetselarij. Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in de realisering van de Vrijmetselaarsloge in Veendam in 1878. Ongetwijfeld vanwege zijn redenaarstalent werd hij gevraagd bij de opening van de nieuwe tempel het zogenaamde bouwstuk voor te bereiden. Dit was uniek, want Winkler Prins was in die tijd nog slechts leerling en geen redenaar in de kring der Vrijmetselaars.

Leden van de loge woonden niet alleen in Veendam en omgeving, maar ook in Winschoten. In 1921 werd daar een eigen loge opgericht. Een eigen gebouw was er toen nog niet. De normale bijeenkomsten vonden gewoonlijk plaats in Hotel Dommering, de rituele samenkomsten werden gehouden in de Doopsgezinde kerk.

Ook vanuit Emmen en omgeving trokken er vrijmetselaars naar Veendam. In 1953 werd besloten een maçonnieke kring Emmen/Ter Apel op te richten. De ene maand kwam men in Emmen, de andere maand in Ter Apel bij elkaar. In 1956 installeerde men een eigen loge in Emmen. Bij gebrek aan ruimte kwam men aanvankelijk in het Hervormd Wijkcentrum D'Zeihuuv bij elkaar. Na wat verhuizingen was zij later (1968) officieel gevestigd in de Consistoriekamer van de Nederlandse Hervormde (Grote) Kerk. In 1970 opende men een eigen gebouw. In 2000 werd besloten een tweede loge te openen voor vrijmetselaars uit Emmen en omgeving. Deze beslissing viel in het klooster in Ter Apel, waarbij veel vrijmetselaars uit heel Nederland bijeen waren gekomen.

ConclusiesVoorbereiding op de gebedsonderwerpen

Uit het overzicht van de kerkgeschiedenis van de Veenkoloniën kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

Aantekeningen:

  1. Bij meerdere veenlijken, ook uit het buitenland, is een afwijking aan heup of rug aangetoond.
  2. Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk te Wittenberg. Hij wilde uitnodigen tot debat. Volgens Luther stond in Paulus' brief aan de Romeinen dat men alleen genade kon vinden door het geloof. Het goede deed men uit barmhartigheid. Het was niet zo dat men Gods genade verdiende door goed te doen, maar dat men goed deed doordat men Gods genade had ontvangen. De Dominicaner monnik Tetzel hield gelovigen voor dat zij een aflaat kregen als zij geld gaven voor de bouw van de St. Pieter (in werkelijkheid werd dit geld gebruikt door de aartsbisschop voor het afbetalen van schulden). Luther keerde zich tegen de aflaatpraktijk. Hij plaatste het gezag van de Bijbel boven pausen en concilies. Daarom moesten doop en avondmaal blijven, maar konden de overige sacramenten verdwijnen. Ook kloosters en de priesterstand leek overbodig, zelfs de kerk als instituut was niet nodig. Transsubstantiatie, de aanwezigheid van Christus in brood en wijn, werd afgewezen. Luther vertaalde de Bijbel. De kerk zou de taak krijgen de mensen het evangelie uit te leggen en ze te leren lezen. In de kerk moesten geestelijken en leken dichter bij elkaar komen te staan.
    De voornaamste verschillen tussen Calvijn en Luther betreffen de verhouding tussen mens en God en tussen kerk en wereldlijke overheid. Bij Luther staan de verlossing en eigen verantwoording meer centraal, Calvijn legt de nadruk op zondigheid en de nietigheid van de mens tegenover Gods almacht. Luther acht de kerk ondergeschikt aan wereldlijk bestuur, Calvijn meent dat in geval van conflict de wereldlijke autoriteit zich dient te onderwerpen aan de kerk.
  3. De familienaam Leutscher, die veel in deze streek voorkomt, is oorspronkelijk een familie uit Zwitserland. (Vgl. Oorsprong familie Leutscher.)
  4. De Doopsgezinden waren er van overtuigd dat Jezus spoedig zou wederkeren. De kerkhervormingen zagen zij als een teken hiervan. Zij wilden dan ook het Koninkrijk op Aarde voorbereiden. Hoewel de meeste Doopsgezinden zich hiervan afkeerden leidde dit in enkele plaatsen tot geweldadigheden. In Münster (1534) hadden de Doopsgezinden de macht in handen en stichtten zij een 'Nieuw Jeruzalem'. Niet-gelovigen werden de stad uitgezet. Er kwamen daar ook excessen voor als 'oudtestamentische veelwijverij'. Münster werd met geweld weer teruggewonnen. Heftige vervolging van de Doopsgezinden was het gevolg.
  5. In 1561 opgesteld door Guido de Brès, oorspronkelijk bedoeld als uitleg van het reformatorische geloof voor de Spaanse koning Filips II.
  6. Roelof Reiling en zijn vrouw Geertruid Theisens behoren tot de zeven eerste baptisten in ons land. Hun zoon Jannes Reiling wordt later lekenprediker in de baptistengemeente te Drouwenermond en omgeving. Hij wordt 104 jaar oud. Op z'n honderdste verjaardag wordt hij geïnterviewd en op de vraag van een journalist hoe vaak hij gepreekt heeft, antwoordt hij: "Ik denk meneer, zo'n duizend keer."